9 NUMMER 4 - SEPTEMBER 2026 OP DE RADAR In de politiek zijn we dol op droge cijfers, maar de realiteit van 2026 is wel gortdroog geworden. We beleven een zomer die de heetste en droogste jaren uit de geschiedenis moeiteloos evenaart. Rivier- en grondwaterstanden zakken weg alsof iemand de stop uit ons polderlandschap heeft getrokken. De waterschaarste zet zelfs de wereldwijde waterbeheerders op scherp. Nu kunnen we urenlang polderen over het klimaat, maar de vraag is simpel: wat doen we zelf? En vooral: wat kan de bouwsector hieraan bijdragen om het tij te keren? Na mijn vorige column, ‘De prijs van het Doortrekken’, ontving ik meer dan honderd reacties. De gemoederen liepen hoog op over het sturen op watergebruik via de rioolbelasting. Het legde een klassiek dilemma bloot voor beleidsmakers: als de intrinsieke motivatie om korter te douchen of de gele gazonmat te accepteren opdroogt, welke hefboom gebruik je dan? Kies je voor de wortel van de subsidie, of de stok van de boete? Kijken we naar de bouwpraktijk en renovatie, dan valt er met wat boerenverstand direct winst te behalen. Zo kun je in de bestaande bouw achteraf flexibele waterzakken in de kruipruimte aanbrengen om hemelwater op te vangen en nuttig te gebruiken. Ook in de nieuwbouw en het ontwerp ligt de sleutel: door de bodem als spons te laten werken met wadi’s, waterdoorlatende verharding en jawel, blauwe daken, houden we het hoofd boven water en de druppels vast waar ze vallen. HEMELWATERVERORDENING Toch blijft het in Nederland vaak bij vriendelijk adviseren en zachtzinnig polderen. Onze zuiderburen gooien het water niet over de balk en pakken dat aanmerkelijk doortastender aan. In Vlaanderen geldt via een ‘Hemelwaterverordening’ een simpel principe: regenwater opvangen en hergebruiken is de norm, afvoeren naar het riool de uitzondering. Bouw je daar een woning met een dak groter dan 120 vierkante meter? Dan verplicht de wetgever je zonder blikken of blozen tot de aanleg van een regenwaterput van minimaal 10.000 liter. En die put staat er niet voor de show; je bent wettelijk verplicht om de toiletten, wasmachine en buitenkraan op dat opgevangen hemelwater aan te sluiten. Is de put vol? Dan moet de overloop verplicht via een infiltratiewadi in je eigen tuin wegzakken. België zet hierbij de financiële hefboom slim in. Wie een woning van tien jaar of ouder laat renoveren door een erkend aannemer en zo’n regenwaterinstallatie aanlegt, betaalt slechts 6% btw in plaats van 21%. Dat scheelt duizenden euro’s. Maar wie weigert, voelt de harde hand. Zonder een positief sanitair- en keuringsrapport krijg je simpelweg geen drinkwateraansluiting. En geldt bij extreme droogte ‘code rood’? Dan riskeer je bij het sproeien van je tuin of je auto een wasbeurt geven met drinkwater, een directe politieboete die kan oplopen tot 350 euro. PIONIERSCHAP OF BETUTTELING Is het Vlaamse waterbeleid een baken van ecologische vooruitgang, of de ultieme natte droom van een bemoeizuchtige overheid? Het idee dat een inspecteur controleert of jouw wc wel met het ‘juiste’ grijze water doorspoelt, voelt voor critici als een verstikkende nanny state. Maar waar wij in Nederland de burger nog lief vragen om het gazon niet te sproeien, durft de Belgische overheid harde knopen door te hakken. Water is immers een schaars publiek goed. Voor beleidsmakers is het een duivels dilemma: wat je ook doet, het is nooit goed. Bepaal je niks, dan vallen de kranen misschien wel droog. Grijp je hard in, dan ben je een betuttelende overheid. Maar als we de zomerdroogte van 2026 als het begin van de nieuwe realiteit zien, hebben de Belgen in elk geval al een volle put om hun toilet mee door te spoelen. En dat is, hoe je het ook wendt of keert, heel wat waard. Arap-John Tigchelaar, wethouder gemeente Ermelo Belonen, beboeten of beide? BOUWVISIE ARAP-JOHN TIGCHELAAR PIR-platen momenteel populairste isolatiemateriaal OVER HET ONDERZOEK Het onderzoek werd uitgevoerd door Perspective in opdracht van NVPU, De Nederlandse Vereniging van Polyurethaan Hardschuim-fabrikanten. Er is onderzoek verricht onder 200 professionals in de bouw. Allen hebben in hun werk te maken met isolatiemateriaal. De meesten hebben ook directe ervaring met PIR-isolatieplaten. Het veldwerk vond plaats in de periode van 16 t/m 24 april 2026. Na afloop van het veldwerk zijn diverse kwaliteitscontroles uitgevoerd op de data. Bouwprofessionals geven momenteel de voorkeur aan PIR-isolatieplaten boven andere isolatiematerialen. Dat blijkt uit onderzoek in opdracht van de Nederlandse Vereniging van Polyurethaan Hardschuimfabrikanten (NVPU) onder 200 professionals in de bouwsector. In een markt waarin energieefficiëntie een steeds grotere rol speelt, zijn de belangrijkste redenen om voor PIR te kiezen: de hoge isolatiewaarde (56%), het verwerkingsgemak (26%) en het lage gewicht (25%). Een hoge isolatiewaarde wordt door respondenten vooral geassocieerd met een lager energieverbruik (60%) en een betere milieuprestatie van het gebouw als geheel (37%). Ook wordt de mogelijkheid om met een dunner isolatiepakket te werken genoemd (31%). HERGEBRUIK Tegelijkertijd blijkt dat de kennis over hergebruik achterblijft. Ongeveer de helft van de professionals (49%) weet dat PIR-isolatieplaten kunnen worden hergebruikt. Terwijl de lange levensduur van het materiaal – vergelijkbaar met of zelfs langer dan die van een gebouw – hergebruik juist zo interessant maakt. De mogelijkheid tot hergebruik beïnvloedt het beeld van het materiaal positief: 75% van de respondenten geeft aan hierdoor positiever over PIR te denken. De grootste belemmering tot hergebruik is de onbekendheid hiervan; 36% ziet dit als obstakel. Gevolgd door extra kosten (27%) en praktische aspecten als logistiek (23%) en kwaliteitsgaranties (19%). Goed nieuws is dat dankzij nieuwe bevestigingsmethoden – zoals geschroefde montage of losliggend geballast op het dak – de platen demontabel én herbruikbaar zijn. Hierdoor zijn ze na demontage direct opnieuw in te zetten. De sector is volop bezig om hergebruik van PIR-platen schaalbaar te organiseren. Met als doelstelling dat in 2030 minimaal 10% van het marktvolume dat uit sloop vrijkomt wordt hergebruikt. MILIEUPRESTATIE VAN HET GEBOUW Duurzaamheid blijft een belangrijk thema binnen de sector, al speelt het niet altijd de doorslaggevende rol bij materiaalkeuze. Milieu-impact staat op de zesde plaats van belangrijkste criteria. Professionals kijken daarbij vooral naar de milieuprestatie van het gebouw als geheel, inclusief energiegebruik (43%). Een ruime meerderheid (82%) vindt het belangrijk om de milieu-impact over de volledige levensduur van een gebouw te beoordelen. Daarnaast geeft 53% aan bereid te zijn een product te kiezen met een lagere individuele milieuscore, zolang dit bijdraagt aan een betere totale gebouwprestatie. De bekendheid met duurzaamheidsindicatoren verschilt. Iets meer dan de helft van de professionals is bekend met de MPG (Milieuprestatie Gebouwen, 57%), gevolgd door MKI (Milieukostenindicator, 46%) en MEPG (milieu-energieprestatie van gebouwen, 39%). De WLC GWP (Whole Life Cycle Global Warming Potential) is met 23% het minst bekend. LIEVER ISOLEREN DAN COMPENSEREN Tot slot blijkt dat professionals de voorkeur geven aan het verminderen van energieverbruik boven het compenseren ervan. Beter isoleren wordt gezien als de meest kosteneffectieve strategie, waarbij een deel van de sector pleit voor een combinatie met lokale energieopwekking en opslag. Foto: Recticel. De kennis over hergebruik van PIR blijft achter. Van PIR-restafval van bouwplaatsen kan bijvoorbeeld Unilin nieuwe PIR isolatieplaten maken. Foto: Unilin.
RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=