13 NUMMER 7/8 - AUGUSTUS 2025 ACTUEEL Het is een bekend refrein in de gemeenteraadszalen van Nederland: ‘Meer starterswoningen! Woningen voor onze jongeren!’ Dit is vaak anekdotisch. Bij mij thuis willen ook drie twintigers graag het huis uit. Iedereen kent wel die neef of nicht die op zolder bij pa en moe wacht tot de woningmarkt eindelijk meewerkt. Het is een beeld dat appelleert aan ons rechtvaardigheidsgevoel en dat politiek gezien goed scoort. Maar wat als de praktijk een heel ander verhaal vertelt? Als wethouder word je overspoeld met informatie. Rapporten, beleidsstukken, collegevoorstellen; een tsunami van woorden, vaak tot in de puntjes voorbereid door onze hoogopgeleide ambtenaren. Professionals die objectief en zonder politieke kleur de feiten op een rij zetten. Het is een enorme steun, die berg aan gedegen informatie. Maar soms moet je als bestuurder de ivoren toren verlaten en de straat op. Eropaf! Juist een recesperiode, de adempauze in de gemeentelijke hectiek, leent zich daar uitstekend voor. Het is de tijd om los te komen van de vergadertafel en het maatschappelijk middenveld op te zoeken. Bedrijven, verenigingen, winkeliers – en in mijn geval, makelaars. Gewapend met een lijst vol vragen over de lokale woningmarkt planden we, met een ambtenaar, een ‘makelaarstour’. Vragen over jonge kopers, de grootste uitdagingen voor starters en de impact van een gemeentelijke starterslening. De antwoorden waren verrassend en – ik moet eerlijk bekennen - een eyeopener. Verrassing! Makelaars hebben nauwelijks te maken met jonge kopers. Mijn eerste gedachte was: ‘Natuurlijk, want ze zijn minder kapitaalkrachtig en het aanbod voor starters is te laag.’ Maar dat was niet het probleem, zo verzekerden meerdere makelaars. Het échte knelpunt? Er zijn te weinig woningen voor diegenen bij wie de jaren al tellen. Appartementen, liefst op de begane grond met een tuintje, of juist hoog en veilig. Zorgwoningen, clusterwoningen, kangoeroewoningen, hofjes, 0-tredenwoningen… De oplossingen vliegen je om de oren. VERGRIJZING ALS MOTOR VOOR DOORSTROMING Het aandeel senioren neemt toe, terwijl het aantal jongeren afneemt. En deze senioren? Veel van hen wonen in een koopwoning, vaak met aanzienlijke overwaarde en financiële middelen. Ze zijn bereid te verhuizen, mits er woningen zijn die aansluiten bij hun wensen en levensfase. En juist dát is de sleutel tot een gezonde woningmarkt: doorstroming. Doorstroming is essentieel. Wanneer mensen met grijze haren verhuizen naar een kleinere, levensloopbestendige woning, komt hun vaak ruimere gezinswoning vrij. Deze gezinswoningen komen dan beschikbaar voor jonge gezinnen, die op hun beurt weer ruimte creëren aan de ‘onderkant’ van de markt, voor starters en jongeren. Het is een verhuisketen, een reeks van verhuizingen die in gang wordt gezet door het bouwen voor die specifieke, maar vaak onderbelichte, doelgroep: voor onze inwoners die op leeftijd zijn. Denk er eens over na: het bouwen van een starterswoning leidt in de regel tot maximaal één verhuisbeweging. Een nieuwbouwwoning voor senioren kan daarentegen tot wel vijf verhuizingen teweegbrengen. Een verhuisketen die start met de bouw van een levensloopgeschikte om aan het einde van deze verhuisketen weer een starterswoning te creëren. URGENTIE De politieke focus op starterswoningen klinkt misschien logisch, ingegeven door het ‘ik ken iemand die...’-argument. Dat is een retorische tactiek die emotioneel overtuigend kan zijn, maar intellectueel vaak zwak. We moeten waken voor de waan van de persoonlijke ervaring, waarbij individuele verhalen tot universele waarheid worden verheven. Wie de waarheid in pacht denkt te hebben op basis van wat iemand anders heeft gezegd of meegemaakt, valt in de valkuil van anekdotisch bewijs. De tijd om te handelen is nu. Nederland vergrijst in rap tempo. In 2024 telden we al ruim 3,6 miljoen 65-plussers, wat neerkomt op zo’n 20,5% van de totale bevolking. Deze trend zet naar verwachting door tot zeker 2040, wanneer het aandeel 65-plussers zal toenemen tot ongeveer 25% van de bevolking. Deze demografische verschuiving vraagt om een urgente en gerichte aanpak van de woningmarkt. Inzicht vanuit uit de praktijk: doorstroming stimuleren via seniorenhuisvesting is effectief en noodzakelijk om de woningnood voor alle generaties te verlichten. Arap-John Tigchelaar, wethouder gemeente Ermelo In anekdotes kun je niet wonen BOUWVISIE ARAP-JOHN TIGCHELAAR Recycling plant voor PIR-isolatieplaten Van PIR-restafval van bouwplaatsen kan Unilin nu ook nieuwe PIR isolatieplaten maken. Op 1 juli 2025 is in het Belgische Desselgem een recycling plant voor PIR-isolatieplaten geopend. Met deze state-of-the-art installatie is Unilin Insulation de eerste isolatiespeler die niet alleen intern productie-afval, maar ook post-industrial PIR-isolatieplaten chemisch kan recyclen tot nieuwe PIR-isolatieplaten. Unilin produceert PIR-isolatieplaten voor zowel muren en vloeren, als platte en hellende daken. PIR wordt geproduceerd door twee grote bouwstenen, polyol en MDI, chemisch met elkaar te laten reageren. PIR heeft het voordeel dat het een hogere thermische isolatiewaarde heeft dan conventionele materialen zoals minerale wol (glaswol/steenwol), XPS of EPS. De lichtgewicht panelen zijn makkelijk te installeren, goed beloopbaar en zorgen dankzij de lage lambdawaarde met een geringere dikte voor hoge isolatieprestaties. PIR-isolatie kent daarenboven een lange levensduur. In tegenstelling tot andere isolatieproducten, neemt de isolatiewaarde na 50 jaar nauwelijks af. Circulariteit is evenwel een uitdaging voor PIR-isolatieplaten. Unilin kon PIR-plaatafval al mechanisch recyclen. In 2024 werd Rezillo gelanceerd, een vochtbestendige bouwplaat gemaakt van mechanisch gerecycleerd PIR-plaatafval. Met de huidige investering zet Unilin een stap verder en kan het bedrijf via chemische recyclage van PIR-plaatafval nu ook grondstoffen voor nieuwe PIR-isolatieplaten maken. VAN PIR NAAR PIR “Sommige isolatiespelers verwerkten al PUR- of PIR-afval uit andere toepassingen, zoals sandwichpanelen, in de productie van nieuwe PIR-platen. Van PIR-isolatieplaat naar PIR-isolatieplaat was nog niet mogelijk. Die code hebben we nu via eigen R&D gekraakt”, aldus Jeroen De Temmerman, President Unilin Insulation. Het recyclingproces bestaat uit drie stappen: vermalen, filteren en chemisch recyclen. In de eerste stap worden de PIR-isolatieplaten gebroken en tot kleine stukjes vermalen. Stap twee bestaat uit een intern ontwikkeld procedé om onder meer via windzifting de PIR-deeltjes te scheiden van de papieren of aluminium bekleding van de panelen. Vervolgens gaat de zuivere PIR in een reactor. Via glycolyse scheidt deze reactor de componenten van PIR tot onder meer polyol. Er kunnen dan nieuwe PIR-isolatieplaten worden gemaakt door de gerecycleerde polyol te laten reageren met MDI. Hierdoor is Unilin in staat om tot 50% van z’n polyolverbruik op te vangen met zelf geproduceerde polyol. VERDERE OPSCHALING “De capaciteit van de recycling plant voor PIR-isolatieplaten in Desselgem zal stelselmatig worden opgebouwd”, zegt Jeroen De Temmerman. “Eerst met intern plaatafval, vervolgens ook met post-industrial afval (rest afval, red.) van bouwplaatsen. Op basis van de ervaring in Desselgem zal er vervolgens worden gekeken om in de loop van 2026 een bijkomende recycling plant te bouwen in de UK. De studies hiervoor lopen. Daarnaast investeren we verder in onderzoek naar bijkomende recyclingtechnieken om naast de polyolen ook de MDI-bestanddelen te kunnen recyclen.” Tegelijkertijd heeft Unilin het voorbije jaar via het Unilin Recover-programma gewerkt aan een terugnamemodel om in samenwerking met de bouwsector PIR-afval te verzamelen en terug naar de eigen productielocaties te brengen. Recyclinginstallatie in Desselgem (B).
RkJQdWJsaXNoZXIy NTI5MDA=